Bij mestonderzoek bij paarden wordt regelmatig gesproken over rode bloedworm. Maar wist je dat er kleine én grote rode bloedwormen bestaan? Ze behoren beide tot de strongyliden, maar hun levenscyclus verschilt behoorlijk. En juist dat verschil is belangrijk bij het begrijpen van mestonderzoek.
Kleine en grote rode bloedworm: een andere cyclus
De cyclus begint voor beide ongeveer hetzelfde. Volwassen wormen produceren eitjes die met de mest op het land terechtkomen. Hier ontwikkelen zich larven, die tijdens het grazen door het paard kunnen worden opgenomen.
Daarna ontstaat het verschil.
Kleine rode bloedwormen (cyathostominen) ontwikkelen zich in de wand van de blinde en dikke darm. Larven kunnen hier gedurende langere tijd in een ruststadium verblijven. Dit noemen we vaak ingekapselde larven. Vervolgens kunnen ze hun ontwikkeling hervatten, terugkeren naar de darm en uiteindelijk volwassen wormen worden.
Grote rode bloedwormen (Strongylus-soorten) hebben een andere cyclus. De larven migreren vanuit de darm door andere delen van het lichaam. Vooral Strongylus vulgaris is bekend vanwege zijn migratie via de bloedvaten die de darmen van bloed voorzien. Uiteindelijk keren de larven terug naar de dikke darm, waar ze volwassen worden.
Waarom zien we bij mestonderzoek geen verschil?
Onder de microscoop herkennen we de typische strongyliden-eitjes. Het lastige is dat de eitjes van kleine en grote rode bloedwormen zoveel op elkaar lijken dat ze bij regulier mestonderzoek niet betrouwbaar van elkaar te onderscheiden zijn.
Wanneer bij een mestonderzoek strongyliden-eitjes worden gevonden, kunnen we aan het eitje zelf dus niet zien of dit afkomstig is van een kleine of grote rode bloedworm.
Welke rode bloedworm kapselt zich in?
Dit zijn de larven van de kleine rode bloedworm (cyathostominen). Deze larven kunnen zich in de darmwand bevinden en daar tijdelijk hun ontwikkeling onderbreken.
En hier zit een belangrijke beperking van mestonderzoek: ingekapselde larven zijn niet aantoonbaar met regulier mestonderzoek.
Mestonderzoek toont eitjes aan die door volwassen wormen worden uitgescheiden. Ingekapselde larven bevinden zich in de darmwand en produceren nog geen eitjes. Een lage of negatieve eitelling betekent daarom niet automatisch dat een paard geen ingekapselde larven bij zich draagt. Ook andere onvolwassen of migrerende wormstadia kunnen buiten beeld blijven.
Wat vertelt mestonderzoek dan wél?
Mestonderzoek geeft inzicht in de uitscheiding van wormeitjes op het moment van onderzoek. Dat is waardevolle informatie voor gericht wormmanagement en helpt bepalen wanneer behandeling op basis van de aangetoonde eitelling nodig is.
Daarom is het belangrijk om mestonderzoek niet als losstaand moment te zien, maar als onderdeel van een breder wormmanagement waarbij ook leeftijd, voorgeschiedenis, weidebeheer en eerdere onderzoeksresultaten worden meegenomen.
Mestonderzoek geeft dus veel waardevolle informatie, zolang je ook weet wat je er níét mee kunt aantonen.